Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10355
Een appartementseigenaar op een bungalowcomplex wil een grote berging bouwen, maar VvE weigert toestemming. Na een veroordeling tot verwijdering op grond van een eerder vonnis, vraagt de eigenaar de ledenvergadering opnieuw om toestemming. De vergadering wijst het verzoek nagenoeg unaniem af. De eigenaar verzoekt daarop vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 BW. Zowel de kantonrechter als het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wijzen dit verzoek af. Het hof overweegt daartoe onder meer dat eerder bindend is vastgesteld dat de VvE een redelijk belang heeft bij uniforme bergingsregels en dat de weigering niet op willekeur berust. Concrete belangen bij de uitbouw pas tijdens de mondelinge behandeling aanvoeren acht het hof te laat.
De feiten
Op een bungalowcomplex op het eiland Rusk te Earnewal̂d zijn de appartementseigenaren verenigd in een VvE. Het bij de akte van splitsing vastgestelde splitsingsreglement bepaalt in artikel 20 lid 6 dat bouwkundige veranderingen en het aanbrengen van bouwsels op privegedeelten voorafgaande goedkeuring vereisen van de vergadering van eigenaars, ongeacht of de benodigde overheidsvergunningen zijn verleend. Een vergelijkbare regel is opgenomen in artikel 13 van het huishoudelijk reglement van de VvE.
Op 1 december 2007 heeft de vergadering de Voorwaarden bergingen Rusk vastgesteld met 27 stemmen voor en geen stemmen tegen. Die voorwaarden schrijven voor dat een berging een maximale vloeroppervlakte heeft van 3,00 bij 3,00 meter (met een vrijstelling van 10%) en een maximale hoogte van 2,20 meter (eveneens met een vrijstelling van 10%). Elke berging dient ter goedkeuring aan het bestuur van de VvE te worden voorgelegd.
Medio 2011 vroeg de in deze procedure centraal staande eigenaar het bestuur van de VvE toestemming voor de bouw van een berging met een L-vorm, waarbij beide poten van de L ruim vier meter lang zijn, de inham twee bij twee meter beslaat en het dak vijf bij vijf meter meet. Het bestuur weigerde de toestemming. De eigenaar verkreeg nadien wel een gemeentelijke omgevingsvergunning en bouwde de berging. De Rechtbank Noord-Nederland veroordeelde de eigenaar op vordering van de VvE op 4 december 2013 tot verwijdering van de berging, aan welke veroordeling de eigenaar gevolg gaf.
Vervolgens verzocht de eigenaar de vergadering om toestemming de berging opnieuw te plaatsen. Tijdens de vergadering van 20 juni 2015 werd het verzoek behandeld. De vergadering verwierp het verzoek met 34 stemmen tegen, 3 stemmen voor en 4 onthoudingen. De eigenaar wendde zich daarna tot de kantonrechter met het verzoek het besluit van 20 juni 2015 nietig of vernietigbaar te verklaren en, voorwaardelijk, een vervangende machtiging te verlenen. De kantonrechter wees alle verzoeken af.
Appeltermijn
In hoger beroep rees allereerst de vraag of de eigenaar tijdig beroep had ingesteld. Artikel 5:130 lid 3 BW bepaalt dat de appeltermijn tegen een beschikking op een verzoek tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de VvE één maand bedraagt.
De eigenaar had het beroepschrift ingediend tussen een en drie maanden na de datum van de bestreden beschikking. De VvE stelde dat de eigenaar om die reden niet kon worden ontvangen. Het hof stelde echter vast dat in hoger beroep uitsluitend de weigering tot het verlenen van een vervangende machtiging voorlag, en niet de afwijzing van het verzoek tot vernietiging van het besluit. Voor beslissingen inzake een vervangende machtiging geldt de gebruikelijke appeltermijn van drie maanden.
Het hof overwoog bovendien dat het in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en met de rechtszekerheid om bij één beschikking die meerdere beslissingen bevat waarvoor de wet verschillende appeltermijnen kent, slechts één (en dan de kortste) termijn te hanteren. Het hof sloot daarmee aan bij een eerdere beschikking van hetzelfde hof.[1]
De reikwijdte van het hoger beroep en het gezag van gewijsde
Het hof stelde vast dat de eigenaar in hoger beroep uitsluitend nog verzocht om de vervangende machtiging. De eerdere beslissingen van de kantonrechter over de nietigheid en de vernietigbaarheid van het besluit van 20 juni 2015 waren in kracht van gewijsde gegaan. Op grond van artikel 236 Rv hadden die beslissingen bindende kracht voor het verdere geding.
Dat betekende concreet dat het hof als vaststaand moest aannemen dat het besluit van 20 juni 2015 niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 2:8 BW, dat de VvE een redelijk belang had bij het formuleren en handhaven van uniforme regels over bergingen, dat de eigenaar door die regels voor wat betreft de maatvoering niet in zijn belangen was geschaad en dat de weigering niet berustte op willekeur. Het hof kon bij de beoordeling van het verzoek om een vervangende machtiging niet opnieuw beoordelen of het besluit in strijd was met de redelijkheid en billijkheid. Daarmee was de speelruimte voor de eigenaar in de procedure over de vervangende machtiging feitelijk gesloten.
De maatstaf voor vervangende machtiging
Op grond van artikel 5:121 BW kan de kantonrechter een vervangende machtiging verlenen indien een appartementseigenaar voor het verrichten van een bepaalde handeling toestemming nodig heeft van de VvE of van een van haar organen, maar die toestemming zonder redelijke grond niet wordt gegeven. Het hof onderstreepte dat deze bepaling een uitwerking is van het beginsel van redelijkheid en billijkheid dat de verhouding tussen appartementseigenaars onderling en tussen eigenaars en de VvE beheerst. Mede-eigenaars mogen toestemming niet zonder redelijke grond weigeren.[2]
Het hof citeerde de Hoge Raad: noch de bewoordingen van artikel 5:121 BW noch de wetsgeschiedenis van dat artikel wijzen op een marginale toetsing van het besluit van de VvE.[3] Dat betekent dat ook de belangen van de verzoekende eigenaar meewegen bij de vraag of sprake is van een weigering zonder redelijke grond.
De beoordeling van de vervangende machtiging
De eigenaar had zijn verzoek om een vervangende machtiging onderbouwd met de stelling dat het belang van de VvE bij een uniform beleid niet kon worden gehonoreerd, dat de VvE geen beperkingen kon stellen aan de omvang van bergingen en dat de weigering willekeur opleverde. Het hof stelde vast dat dit exact dezelfde argumenten waren die de kantonrechter in de eerdere procedure al had verworpen. Die uitspraken hadden bindende kracht. De eigenaar had zijn verzoek daarmee onvoldoende onderbouwd (r.o. 7.5).
Ten overvloede overwoog het hof dat ook wanneer de voorwaarden bergingen nietig zouden zijn, dat nog niet betekende dat de vergadering elk verzoek om toestemming voor een berging zou moeten honoreren. Artikel 20 lid 6 van het splitsingsreglement legt immers uitdrukkelijk een goedkeuringsvereiste op. Dat vereiste zou illusoir worden als de vergadering steeds gehouden zou zijn goedkeuring te verlenen zodra daarom wordt verzocht. De vergadering is bevoegd om telkens bij een verzoek om goedkeuring alle belangen af te wegen.
Belangen tijdig in procedure aanvoeren
De eigenaar had bovendien zijn concrete belangen bij de bouw van de grotere berging pas bij de mondelinge behandeling aangevoerd, wat het hof te laat achtte.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en veroordeelde de eigenaar in de proceskosten in hoger beroep, vastgesteld op € 718,- aan verschotten en € 1.788,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat.
Wenk
Deze uitspraak laat zien dat de procedure over een vervangende machtiging in de praktijk aanzienlijk kan worden beperkt door een eerder oordeel in een vernietigingsprocedure. Wanneer de kantonrechter in een vernietigingsprocedure bindend heeft vastgesteld dat het VvE-besluit in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid en dat de weigering niet berust op willekeur, kan de appartementseigenaar diezelfde argumenten niet opnieuw inbrengen in een procedure over de vervangende machtiging. Het gezag van gewijsde van artikel 236 Rv sluit dat pad af. Wie overweegt een verzoek om vervangende machtiging in te dienen na een verloren vernietigingsprocedure, doet er dan ook goed aan te beoordelen of hij nieuwe argumenten beschikbaar heeft die de rechter in de eerdere procedure nog niet heeft beoordeeld.
Het hof bevestigt voorts dat een goedkeuringsvereiste in het splitsingsreglement niet illusoir mag worden gemaakt. Zelfs als de door de vergadering gestelde aanvullende voorwaarden nietig zouden zijn, behoudt de vergadering de bevoegdheid om per geval de belangen af te wegen. Een appartementseigenaar die een grootschalige bouwwijziging wil doorvoeren, moet zijn concrete belangen tijdig en concreet onderbouwen, bij voorkeur al in de processtukken en niet pas bij de mondelinge behandeling.
Tot slot onderstreept de uitspraak de bijzondere regel voor de appeltermijn bij beschikkingen die meerdere beslissingen bevatten. Nu de wet voor de vernietigingsprocedure ex artikel 5:130 BW een kortere appeltermijn kent dan voor de vervangende machtiging ex artikel 5:121 BW, gelden die termijnen naast elkaar. Een appartementseigenaar die uitsluitend wil opkomen tegen de afwijzing van zijn verzoek om een vervangende machtiging, kan dat ook nog na het verstrijken van de termijn van een maand doen, zolang de termijn van drie maanden nog loopt.
Voetnoten
[1] Hof Arnhem 6 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY2353
[2] HR 30 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759
[3] HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8171



