Rechtbank Amsterdam (kanton) 28 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4050
Twee appartementseigenaren verzoeken vernietiging van VvE-besluiten tot goedkeuring van de begroting 2021 en de maandelijkse bijdragen 2021. Zij stellen dat voor deze besluiten een gekwalificeerde meerderheid van twee derde was vereist op grond van het splitsingsreglement. De kantonrechter wijst de verzoeken af en wijkt daarbij bewust af van een eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over de uitleg van hetzelfde splitsingsreglement. Goedkeuring van een begroting en van maandelijkse bijdragen zijn geen besluiten tot het doen van uitgaven in de zin van het splitsingsreglement.
De feiten
Twee appartementseigenaren (hierna: de eigenaren) zijn elk eigenaar van een appartement in een complex in Amsterdam. Het splitsingsreglement bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen over de stemverhouding:
“Artikel 18
1. Van (…) een naar tijdsduur evenredig gedeelte van de kosten verbonden aan het periodiek schilderwerk en noodzakelijke vernieuwingen wordt jaarlijks door het bestuur een begroting ontworpen en ter vaststelling aan de jaarlijkse vergadering voorgelegd.
2. Met ingang van een door het bestuur te bepalen datum zal door de eigenaars ten behoeve van de vereniging bij wijze van voorschotbetaling maandelijks aan het bestuur worden overgemaakt een/twaalfde gedeelte van hun omslag in het onder 1 bedoelde bedrag (…).
Artikel 36
1. Alle besluiten [van de vergadering van eigenaars, kntr], waarvoor in dit reglement of krachtens de wet geen afwijkende regeling is voorgeschreven, worden genomen met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen. (…)
Artikel 37
(…) 5. Besluiten door de vergadering tot het doen van uitgaven die een bedrag van vijftig duizend gulden (…) te boven gaan, kunnen slechts worden genomen met een meerderheid van ten minste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin een aantal eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd is dat ten minste twee/derde van het totaal aantal stemmen kan uitbrengen. In een vergadering, waarin minder dan twee/derde van het in de vorige zin bedoelde maximum aantal stemmen kan worden uitgebracht, kan geen geldig besluit worden genomen. (…)
6. Het in het vorige lid bepaalde geldt niet voor uitgaven met betrekking tot posten die door de vergadering overeenkomstig artikel 18 lid 1 (…) op de jaarlijkse begroting zijn geplaatst voorzover deze posten met niet meer dan tien procent (10%) overschreden worden, of voor uitgaven waarvoor een speciale reserve is gevormd.”
Tussen de eigenaren en de VvE zijn meerdere procedures gevoerd. In één daarvan was aan de orde de goedkeuring van de begroting 2019 door de ALV van 12 december 2018. In hoger beroep verklaarde het gerechtshof Amsterdam op 28 april 2020 dat besluit nietig, omdat de begrotingsposten inzake brandveiligheid en waterleiding (tezamen € 155.500,-) naar het oordeel van het hof besluiten tot het doen van uitgaven van meer dan vijftigduizend gulden betroffen in de zin van artikel 37 lid 5. De uitzondering van artikel 37 lid 6 was niet van toepassing omdat de betreffende posten nieuw waren en niet eerder op de begroting hadden gestaan.[1]
Na die uitspraak vonden drie ALV’s plaats. Op 30 september 2020 werd de jaarrekening 2019 met volstrekte meerderheid goedgekeurd. Op 18 november 2020 stemde de vergadering met volstrekte meerderheid in met het meerjarig onderhoudsplan (MJOP) 2021-2030. Op 27 januari 2021 werden de begroting 2021 en de maandelijkse bijdragen 2021 eveneens met volstrekte meerderheid goedgekeurd. Over de besluiten van 30 september en 18 november 2020 had de kantonrechter op 15 maart 2021 al geoordeeld dat noch de goedkeuring van de jaarrekening 2019 noch de goedkeuring van het MJOP 2021-2030 besluiten waren tot het doen van uitgaven in de zin van artikel 37 lid 5. Daartegen was geen hoger beroep ingesteld.
In de thans te bespreken procedure verzochten de eigenaren de kantonrechter om de besluiten van 27 januari 2021 te vernietigen dan wel nietig te verklaren. Zij vorderden ook terugbetaling van een deel van de maandelijkse bijdragen 2020 en 2021. De redenering van de eigenaren was dat meerdere begrotingsposten meer dan tien procent afweken van het vorige begrotingsjaar, zodat voor de goedkeuring een twee derde meerderheid was vereist. Zij beriepen zich daartoe op de uitleg die het gerechtshof had gegeven in de uitspraak van 28 april 2020.
De strijdige uitleg van het splitsingsreglement
De kern van het geschil was de uitleg van artikel 37 leden 5 en 6 van het splitsingsreglement. De eigenaren stelden dat goedkeuring van de begroting een besluit tot het doen van uitgaven is in de zin van artikel 37 lid 5, en beriepen zich op de uitspraak van het gerechtshof van 28 april 2020. De VvE bestreed dat standpunt. Zij verwees naar uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2016[2] en de Hoge Raad van 4 mei 2018,[3] waaruit volgens haar voortvloeit dat pas op het moment van de daadwerkelijke uitvoering van een uitgave een twee derde meerderheid is vereist, en niet al bij de begrotingsvaststelling.
De kantonrechter stelde voorop dat voor de uitleg van het splitsingsreglement de objectieve uitlegmaatstaf geldt: de bedoeling van degenen die het reglement hebben vastgesteld dient naar objectieve maatstaven te worden afgeleid uit de bewoordingen van de notariële akte en het daarin opgenomen reglement, bezien in het licht van de gehele inhoud. Daarin sloot de kantonrechter zich aan bij het gerechtshof. Op het punt van de uitleg zelf koos de kantonrechter echter een andere koers.
De kantonrechter achtte de uitleg die het gerechtshof in de uitspraak van 28 april 2020 had gegeven onbegrijpelijk. Het hof had niet onderbouwd waarom begrotingsposten als uitgaven in de zin van artikel 37 lid 5 zouden moeten worden beschouwd. In de eigen eerdere uitspraak van 20 december 2016 had het gerechtshof nog overwogen dat uitgaven verwijst naar een bedrag dat ter betaling van iets wordt uitgegeven, waarbij het begrip letterlijk werd uitgelegd op basis van Van Dale. Een begrotingspost is in het normale taalgebruik geen uitgave: de post is nog niet ter betaling van iets uitgegeven. Het gaat bij een begroting in eigenlijke zin om een reservering voor toekomstige uitgaven. In lijn met de beschikking van 15 maart 2021 over het MJOP oordeelde de kantonrechter dat ook de goedkeuring van de begroting 2021 geen besluit is tot het doen van uitgaven als bedoeld in artikel 37 lid 5. Hetzelfde gold voor de goedkeuring van de maandelijkse bijdragen: die bijdragen zijn immers geen uitgaven van de VvE.
Het stelsel van stemvereisten in het splitsingsreglement
De kantonrechter lichtte vervolgens toe hoe het gehele stelsel van stemvereisten in het splitsingsreglement moet worden begrepen. De hoofdregel van artikel 36 is volstrekte meerderheid. Artikel 37 lid 5 schrijft een gekwalificeerde meerderheid van twee derde voor bij besluiten tot het doen van uitgaven van meer dan vijftigduizend gulden. Op die uitzondering bestaat op grond van artikel 37 lid 6 een verdere uitzondering: voor uitgaven die al op de begroting zijn geplaatst en niet meer dan tien procent worden overschreden, of waarvoor een speciale reserve is gevormd, volstaat opnieuw een volstrekte meerderheid.
Anders dan het gerechtshof had geoordeeld, achtte de kantonrechter het stelsel praktisch uitvoerbaar. De uitzondering van artikel 37 lid 6 betreft uitgaven van meer dan vijftigduizend gulden die voor de ALV geen verrassing vormen: de begroting ervoor is al goedgekeurd of er is al een reserve voor gevormd. Het gekwalificeerde stemvereiste geldt dus uitsluitend voor aanzienlijke uitgaven die noch begroot noch gereserveerd zijn. Dat stelt een forse drempel, omdat het om extra uitgaven gaat waarvoor op grond van artikel 37 lid 7 ook een extra voorschotbijdrage kan worden gevraagd. De kantonrechter verwees daarbij ook naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020 en de daarbij behorende conclusie van de Advocaat-Generaal, waaruit voortvloeit dat het bepaalde in lid 8 (over ingrijpende verbouwingen) betrekking heeft op besluiten met een zeker ingrijpend karakter.[4]
Geen grond voor vernietiging of nietigheid
Nu de besluiten tot goedkeuring van de begroting 2021 en de maandelijkse bijdragen 2021 niet vielen onder het toepassingsbereik van artikel 37 lid 5, was voor die besluiten een volstrekte meerderheid voldoende. Aan dat vereiste was voldaan. De besluiten waren dan ook niet nietig wegens schending van een wettelijk of reglementair voorschrift.
De kantonrechter oordeelde evenmin dat de besluiten op grond van artikel 5:130 BW vernietigbaar waren. Een besluit is vernietigbaar als het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of met het reglement. De kantonrechter overwoog dat een besluit ook als een minderheid er niet mee heeft ingestemd en het financieel belastend is voor die minderheid, niet daardoor al onredelijk wordt (r.o. 7).
De vorderingen tot terugbetaling van (een deel van) de maandelijkse bijdragen 2020 en 2021 wees de kantonrechter eveneens af. Voor zover het de bijdragen 2020 betrof stond vast dat de jaarrekening 2019 onherroepelijk was goedgekeurd.
Voetnoten
[1] Gerechtshof Amsterdam 28 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1331.
[2] Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5490.
[3] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:680.
[4] Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1275.



