Gerechtshof Amsterdam 19 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2099

Het bestuur van een VvE stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de kantonrechter zonder daarvoor een procesmachtiging van de ledenvergadering te hebben verkregen. De appartementseigenaars die in eerste aanleg in het geding betrokken waren, betwistten de ontvankelijkheid van de VvE in hoger beroep. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat het splitsingsreglement artikel 40 van het toepasselijke modelreglement uitdrukkelijk had vervangen door een eigen regeling die het bestuur ruime, onbeperkte bestuursbevoegdheden toekende, zodat de VvE rechtsgeldig en zonder procesmachtiging hoger beroep kon instellen.

De feiten

De VvE stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam tegen een beschikking van de kantonrechter. Het besluit om hoger beroep in te stellen werd op 30 juli 2021 genomen door het bestuur van de VvE, bestaande uit één bestuurder, na consultatie van een coördinatiegroep. De bestuurder stelde de leden diezelfde dag per brief op de hoogte van de uitspraak van de kantonrechter en lichtte toe waarom de VvE in hoger beroep zou gaan.

De splitsingsakte in kwestie was opgesteld met daarin een splitsingsreglement dat op een aantal punten afweek van het van toepassing verklaarde modelreglement. Op dezelfde pagina waarop het modelreglement van toepassing werd verklaard, was uitdrukkelijk bepaald dat de artikelen 37 tot en met 42 van het modelreglement kwamen te vervallen en dat daarvoor in de plaats de artikelen 37 tot en met 42 uit het eigen splitsingsreglement golden. Artikel 40 van het modelreglement, dat bepaalt dat de bestuurder voor het instellen van rechtsvorderingen een machtiging van de ledenvergadering behoeft, gold daardoor niet binnen deze VvE.

Artikel 39 lid 1 van het splitsingsreglement bepaalt dat het bestuur van de vereniging berust bij de administrateur, thans aangeduid als de bestuurder. Lid 3 van dat artikel omschrijft de bevoegdheden van de administrateur.

De bevoegdheid van het bestuur om hoger beroep in te stellen

In hoger beroep brachten de appartementseigenaars als verweer naar voren dat de VvE niet in haar hoger beroep kon worden ontvangen. Naar hun standpunt had de VvE geen toestemming van de ledenvergadering verkregen om hoger beroep in te stellen. De VvE bestreed dit en wees op artikel 39 lid 3 van het splitsingsreglement, dat het bestuur ruime bevoegdheden toekent en de door artikel 5:131 lid 3 BW aan het bestuur opgelegde beperking tot beheer van de middelen en tenuitvoerlegging van besluiten van de ledenvergadering opheft.

Het hof stelde als eerste vast dat het besluit om hoger beroep in te stellen door het bestuur was genomen. Dat het besluit niet schriftelijk was vastgelegd en dat de coördinatiegroep daarbij was betrokken, deed hieraan niet af.[1]

Vervolgens diende het hof te beoordelen of het bestuur bevoegd was dat besluit te nemen. Het hof stelde vast dat artikelen 37 tot en met 42 van het modelreglement in de splitsingsakte uitdrukkelijk waren vervangen door de artikelen 37 tot en met 42 van het eigen splitsingsreglement, en dat artikel 40 van het modelreglement derhalve niet gold.[2]

Artikel 39 lid 3 van het splitsingsreglement bepaalt over de bevoegdheden van de bestuurder het volgende:

De bevoegdheden van de administrateur respectievelijk diens plaatsvervanger omvatten behalve het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw alsmede van de activa van de vereniging (…) en behoudens de bij dit reglement uitdrukkelijk aan de vergadering en/of Bewonersraad toegekende bevoegdheden, het bestuur van de vereniging in de breedste zin van het woord (…).

Het hof oordeelde dat met deze bepaling de in artikel 5:131 lid 3 BW aan het bestuur toegekende beperkte bevoegdheden op de daartoe toegestane wijze waren uitgebreid. Naar het oordeel van het hof omvat deze uitbreiding ook de bevoegdheid om zelfstandig te besluiten tot het namens de VvE instellen van hoger beroep.[3]

De objectieve uitleg van het splitsingsreglement

Het hof paste bij de uitleg van artikel 39 lid 3 van het splitsingsreglement de objectieve maatstaf toe. De ruime omschrijving van de bestuursbevoegdheid, in het bijzonder de zinsnede ‘het bestuur van de vereniging in de breedste zin van het woord’, bracht het hof tot de conclusie dat ook de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep bij het bestuur berustte. Daarvoor wees het hof op de samenhang met de splitsingsakte als geheel: de opstellers hadden artikel 40 van het modelreglement bewust buiten werking gesteld en artikel 39 van het splitsingsreglement daarvoor in de plaats gesteld. Hieruit volgt dat het de bedoeling van de opstellers was om ook de bevoegdheid om te besluiten tot het instellen van hoger beroep bij het bestuur te leggen, temeer nu die bevoegdheid niet elders in het reglement uitdrukkelijk aan een ander orgaan was toegekend.[4]

Het incidentele verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging

Naast het ontvankelijkheidsverweer had de VvE zelf een incidenteel verzoek ingediend tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op grond van artikel 360 lid 2 Rv. Nu het hof de VvE ontvankelijk verklaarde in het hoger beroep, verviel het belang bij dit verzoek. Het hof wees het incidentele verzoek af bij gebrek aan belang.[5]

De beslissing over de proceskosten in het incident werd aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak. In de hoofdzaak bepaalde het hof dat een datum voor een mondelinge behandeling zou worden vastgesteld.[6]


Voetnoten

[1] r.o. 2.2.
[2] r.o. 2.4.
[3] r.o. 2.5.
[4] r.o. 2.6.
[5] r.o. 2.6.
[6] r.o. 2.7.

mr. Dennis Reijnders is mede-initiatiefnemer en redactielid van Stichting VvERecht.nl en is advocaat en partner bij AVVR Advocaten Notariaat te Utrecht (voorheen: De Advocaten van Van Riet).