Rechtbank Rotterdam, 29 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8021
Een eigenaar van warmte- en koudebronnnen en WKO-installaties in een appartementencomplex sloot met iedere bewoner een serviceovereenkomst en bediende het warmtenet van de bronnen tot aan de binneninstallaties. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) kwalificeerde de eigenaar als warmteleverancier in de zin van de Warmtewet. De eigenaar betwistte dit en stelde dat sprake was van een huurovereenkomst voor de warmtepompen, niet van warmtelevering. De Rechtbank Rotterdam oordeelde op 29 september 2022 dat de feiten en het geheel aan overeenkomsten onmiskenbaar duiden op warmtelevering, zodat de Warmtewet van toepassing is.
De feiten
Een partij (hierna: ‘de warmteleverancier’) is eigenaar van warmte- en koudebronnen, een warmtenet en twee collectieve warmtepompen (WKO-installaties) die warmte leveren aan de bewoners van een appartementencomplex. De warmteleverancier sloot met iedere individuele bewoner een afzonderlijke serviceovereenkomst en bracht maandelijks een vastrecht in rekening van € 92,- voor bovenwoningen en € 87,- voor benedenwoningen.
De VvE van het complex diende bij de ACM een handhavingsverzoek in. Volgens de VvE leverde de warmteleverancier warmte zonder vergunning in strijd met de Warmtewet en overschreed zij de maximumtarieven. De ACM stelde vast dat de VvE niet als belanghebbende kon worden aangemerkt ten aanzien van de kwestie van levering zonder vergunning, maar concludeerde wel dat de warmteleverancier kwalificeerde als warmteleverancier in de zin van de Warmtewet. Omdat onderzoek naar de gestelde tariefoverschrijding te veel capaciteit vergde, wees de ACM het handhavingsverzoek af.
De warmteleverancier maakte bezwaar tegen dit besluit. De ACM handhaafde haar standpunt. Vervolgens stelde de warmteleverancier beroep in bij de Rechtbank Rotterdam. Zij betwistte dat zij warmteleverancier was en stelde dat zij slechts de warmtepompen verhuurde. Naar haar mening was de VvE zelf de warmteleverancier, omdat de VvE de elektriciteit voor de warmteopwekking inkocht.
De kwalificatie als warmte onder de Warmtewet
De warmteleverancier betoogde dat zij geen warmte in de zin van artikel 1 Warmtewet leverde. Zij wees daartoe op de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 22 februari 2016.[1] In die zaak was sprake van de voeding van restwarmte in lauw water. De situatie van de warmteleverancier was anders: er was geen restwarmte, het ging om koud water en er was geen leveringsovereenkomst maar een huurovereenkomst. Daarnaast wees de warmteleverancier erop dat de definitie van warmte per 1 juli 2019 was gewijzigd. In de oude definitie ontbrak de tekst dat de warmte werd geleverd ten behoeve van ruimteverwarming. Omdat de ACM naar haar oordeel steunde op een onjuiste wettelijke definitie en een niet-vergelijkbare uitspraak, leed het bestreden besluit aan motiveringsgebreken.
De rechtbank verwierp dit betoog. Zij stelde voorop dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de definitie van warmte verduidelijkt dat de Warmtewet van toepassing is op de levering van water ten behoeve van ruimteverwarming en verwarming van tapwater, waarbij het gaat om de thermische energie van water.[2] Dit brengt mee dat de temperatuur van het geleverde water niet relevant is; doorslaggevend is of het water wordt geleverd met het doel van verwarming. De ACM had in haar primaire besluit dan ook naar de geldende definitie verwezen. De door de warmteleverancier gesignaleerde verschillen met de CBb-uitspraak deden aan dit oordeel niet af. De beroepsgrond slaagde niet.[3]
Warmteleveringsovereenkomst of huurovereenkomst
De warmteleverancier stelde dat de serviceovereenkomsten met de individuele bewoners uitsluitend een exclusief gebruiksrecht op de WKO-installaties verleenden en daarmee als huurovereenkomsten moesten worden gekwalificeerd. De vermelding in de aanhef van de projectvoorwaarden dat deze betrekking hadden op de levering van warmte/koude, alsmede de verwijzing naar de Algemene Leveringsvoorwaarden, waren volgens haar abusievelijk opgenomen.
De ACM wees op een reeks concrete aanwijzingen in het geheel aan overeenkomsten waaruit warmtelevering bleek. Op de factuur werd gesproken van een “vastrecht warmte” en niet van een huurbedrag. Artikel 4 van de projectvoorwaarden verplichtte de klant warmte (en/of koude) te onttrekken uit het toestel van de warmteleverancier. Artikel 17 van de projectvoorwaarden deelde het vastrecht uitdrukkelijk op in twee componenten: kosten voor warmte en huurbedragen. Artikel 6 van de projectvoorwaarden bevatte de minimale en maximale aangeleverde watertemperatuur conform artikel 3, eerste lid, Warmtewet, waarmee de warmteleverancier zich verplichtte warm water bestemd voor ruimteverwarming te leveren. Artikel 10 van de projectvoorwaarden gaf de warmteleverancier het recht op andere wijze aan haar verplichtingen te voldoen indien het verhuurde systeem niet functioneerde, hetgeen impliceert dat de verplichting tot warmtelevering ook onafhankelijk van het functioneren van het systeem bestond. Tot slot omschreef artikel 7 van de Algemene Leveringsvoorwaarden de aard van de levering als: “Door het bedrijf wordt warmte en/of koude geleverd, waarbij als overdrachtsmedium water wordt gebezigd.”
De rechtbank oordeelde dat het geheel aan overeenkomsten niet anders kon worden geduid dan als een overeenkomst voor het leveren van warmte.[4] De stelling dat de verwijzingen naar warmtelevering abusievelijk waren opgenomen, achtte de rechtbank ongeloofwaardig. In de notariële akte van splitsing, waarin het opstalrecht van de warmteleverancier voor de warmtepompen was geregeld, waren de projectvoorwaarden en de Algemene Leveringsvoorwaarden expliciet van toepassing verklaard. Bovendien was in artikel 2 van de projectvoorwaarden specifiek de verhouding tussen die voorwaarden en de Algemene Leverings- en Aansluitvoorwaarden neergelegd, en bevatte het tarievenblad behorend bij de serviceovereenkomst ook de toepasselijkheid van de Algemene Leveringsvoorwaarden. Van een abusievelijke vermelding was dan ook geen sprake.
Het argument dat de VvE zelf de elektriciteit voor de warmteopwekking inkocht, slaagde evenmin. Gelet op de definitie van levering van warmte is het al dan niet verhuren van de WKO-installaties en de vraag wie de energiekosten draagt, niet relevant voor de vraag of sprake is van warmtelevering in de zin van de Warmtewet.[5]
Op grond van de feitelijke omstandigheden, het geheel aan overeenkomsten en de definitie van warmte in artikel 1 Warmtewet, volgde de rechtbank het oordeel van de ACM dat de warmteleverancier zich bezighield met de levering van warmte en dus kwalificeerde als warmteleverancier.[6] Zij was daarom gebonden aan de bepalingen van de Warmtewet. Het beroep werd ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege.
De rechtbank merkte in het kader van het wettelijk kader nog op dat de Warmtewet per 1 juli 2019 niet van toepassing is op de levering van warmte door een VvE die levert aan een lid van die VvE.[7] Deze uitzondering was in de onderhavige zaak niet aan de orde, nu de warmteleverancier geen VvE was.
Wenk
Deze uitspraak maakt duidelijk dat de vraag of sprake is van warmtelevering in de zin van de Warmtewet wordt beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden en de inhoud van het geheel aan overeenkomsten, en niet op basis van de etikettering die partijen aan hun contractuele relatie geven. De kwalificatie als huurovereenkomst biedt geen bescherming indien de overeenkomst in feite verplichtingen tot warmtelevering bevat.
Relevant voor de praktijk is voorts dat de temperatuur van het te leveren water geen onderscheidend criterium is. Doorslaggevend is of het water wordt geleverd met het doel van ruimteverwarming of verwarming van tapwater. Partijen die warmte- en koudeopwekking aanbieden via WKO-installaties aan bewoners van een appartementencomplex, dienen er dan ook rekening mee te houden dat zij als warmteleverancier worden aangemerkt en zich moeten houden aan vergunningplichten en maximumtarieven onder de Warmtewet.
Tot slot verdient de VvE-uitzondering aandacht. Per 1 juli 2019 geldt de Warmtewet niet voor een VvE die warmte levert aan haar eigen leden. In situaties waarbij de VvE zelf eigenaar van de warmte-installatie is en warmte levert aan de appartementseigenaars, is de Warmtewet dus niet van toepassing. Wordt de installatie echter door een externe partij geëxploiteerd die rechtstreeks overeenkomsten sluit met de individuele bewoners, dan is die externe partij de warmteleverancier en geldt de Warmte onverkort.
Voetnoten
[1] College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:30.
[2] Kamerstukken II, 34 723, nr. 3, p. 45.
[3] r.o. 6.
[4] r.o. 9.
[5] r.o. 10.
[6] r.o. 11.
[7] Artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Warmtewet.



