Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1535
De rechthebbende van zes parkeerplaatsen verzocht vernietiging van een besluit van de vergadering van eigenaars, omdat zij niet op de juiste wijze was opgeroepen voor de vergadering. De uitnodigingen voor de vergaderingen waren uitsluitend per e-mail verzonden. De Hoge Raad oordeelt dat de vergadering van eigenaars langs elektronische weg kan worden bijeengeroepen met inachtneming van de voorwaarden van artikel 2:41 lid 5 BW. De zinsnede houdt in dat elektronische oproeping slechts dan niet is toegelaten indien die wijze van oproepen in de statuten voldoende duidelijk wordt uitgesloten. Het cassatieberoep wordt verworpen.
De feiten
De Vereniging van Eigenaars (VvE) omvat de rechthebbenden van eenenveertig appartementsrechten, die alle een parkeerplaats betreffen. Een projectontwikkelaar (hierna: de eigenaar) is rechthebbende van zes van deze appartementsrechten. Artikel 33 lid 8 van het toepasselijke modelreglement bepaalt dat de oproeping voor de vergadering van de vereniging van eigenaars wordt verzonden naar de werkelijke of in overeenstemming met artikel 1:15 BW gekozen woonplaats van de eigenaars, en dat deze oproeping de agendapunten alsmede plaats en tijdstip van de vergadering moet bevatten.
Op 5 juni 2020 is per e-mail een oproep verstuurd voor een vergadering van eigenaars op 25 juni 2020. Bij e-mail van 17 juni 2020 is die vergadering verplaatst naar 2 juli 2020. Op de vergadering van 2 juli 2020 waren eenentwintig van de eenenveertig stemmen vertegenwoordigd. Besloten is een hek langs de parkeerplaatsen te plaatsen en het bestuur te machtigen een hek te bestellen (hierna: het besluit).
De communicatie tussen de eigenaar en de VvE verliep steeds per e-mail, via een vast e-mailadres. De eigenaar maakte daartegen nooit bezwaar. Rond 9 juli 2020 was de eigenaar door een op de vergadering aanwezige persoon op de hoogte gebracht van de besluitvorming over het hekwerk. Pas op 19 oktober 2020 verzocht de eigenaar de correspondentie voortaan naar een ander e-mailadres te sturen. Op 17 september 2020 diende de eigenaar een verzoekschrift tot vernietiging van het besluit in. Zij legde daaraan onder meer ten grondslag dat zij niet op de juiste wijze voor de vergadering was opgeroepen, zodat zij niet wist van de vergadering en van het besluit.
De kantonrechter verklaarde de eigenaar niet-ontvankelijk omdat zij haar verzoekschrift te laat had ingediend. Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde die beschikking.
Elektronische oproeping van de vergadering van eigenaars
In cassatie richtte de eigenaar zich tegen het oordeel dat het modelreglement oproeping per e-mail niet uitsluit. Zij betoogde dat het hof blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het had geoordeeld dat elektronische oproeping op grond van artikel 2:41 lid 5 BW alleen dan niet is toegestaan als de statuten dat expliciet verbieden. Volgens de eigenaar vloeit uit artikel 2:41 lid 5 BW juist voort dat elektronische oproeping slechts is toegestaan indien de statuten daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid openen.
De Hoge Raad neemt het wettelijk kader tot uitgangspunt. Artikel 2:41 lid 5 BW luidt:
“Tenzij de statuten anders bepalen kan, indien een lid of afgevaardigde hiermee instemt, de bijeenroeping geschieden door een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht aan het adres dat door hem voor dit doel is bekend gemaakt.”
Deze bepaling is, bij gebreke van een schakelbepaling, niet rechtstreeks van toepassing op de vereniging van eigenaars (artikel 5:124 lid 3 BW). De Hoge Raad neemt echter aan, overeenkomstig uitlatingen van de minister, dat de vergadering van eigenaars langs elektronische weg kan worden bijeengeroepen met inachtneming van de voorwaarden en het voorbehoud genoemd in artikel 2:41 lid 5 BW. Over die analoge toepassing klaagde de eigenaar terecht niet.[1]
De uitleg van de zinsnede tenzij de statuten anders bepalen
De inhoudelijke vraag spitste zich toe op de betekenis van de zinsnede tenzij de statuten anders bepalen. Opent die zinsnede de mogelijkheid van elektronische oproeping alleen wanneer de statuten dat uitdrukkelijk toestaan, of is elektronische oproeping juist het uitgangspunt zolang de statuten haar niet uitsluiten? De parlementaire geschiedenis van artikel 2:41 lid 5 BW geeft geen nadere toelichting op de uitleg van deze zinsnede.[2]
De Hoge Raad kiest voor de tweede lezing. Aangenomen moet worden dat de zinsnede inhoudt dat elektronische oproeping ‘slechts dan niet is toegelaten indien die wijze van oproepen in de statuten voldoende duidelijk wordt uitgesloten’.[3]
Elektronische oproeping is daarmee het uitgangspunt. Niet de toelating, maar de uitsluiting ervan vraagt om een grondslag in de splitsingsstukken, en die uitsluiting moet bovendien voldoende duidelijk zijn. De klacht van de eigenaar, die uitging van de tegenovergestelde lezing, faalt daarom. De Hoge Raad bevestigt zo het oordeel van het hof dat het modelreglement oproeping per e-mail niet uitsluit.
Conform de conclusie van de Advocaat-Generaal verwerpt de Hoge Raad het beroep.[4] De eigenaar wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.[5]
Wenk
Voor de praktijk verschaft deze beschikking duidelijkheid over de wijze van oproepen voor een vergadering van eigenaars. Hoewel artikel 2:41 lid 5 BW niet rechtstreeks op de VvE van toepassing is, kan de vergadering van eigenaars langs elektronische weg worden bijeengeroepen met inachtneming van de in die bepaling genoemde voorwaarden en het daarin opgenomen voorbehoud. Elektronische oproeping is daarbij het uitgangspunt en is slechts uitgesloten wanneer de splitsingsstukken dat voldoende duidelijk bepalen.
Wie als eigenaar elektronische oproeping wil voorkomen, kan daarvoor dus niet volstaan met het ontbreken van een uitdrukkelijke regeling. Een effectieve uitsluiting vergt een voldoende duidelijke bepaling in de akte van splitsing of het reglement. Andersom doet een VvE-bestuur er verstandig aan de instemming van de betrokken eigenaar met elektronische bijeenroeping en het daarvoor te gebruiken adres vast te leggen, nu artikel 2:41 lid 5 BW die instemming als voorwaarde stelt.
Voetnoten
[1] r.o. 3.1.2. Zie ook Conclusie A-G E.B. Rank-Berenschot onder 3.15, ECLI:NL:PHR:2023:758
[2] Kamerstukken II 2004/05, 30019, nr. 3, p. 11.
[3] r.o. 3.1.3.
[4] Conclusie A-G E.B. Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2023:758.
[5] r.o. 4.



