Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6291
Een appartementseigenaar verzocht de kantonrechter de besluiten van een algemene ledenvergadering nietig te verklaren, omdat de oproeping digitaal was verzonden en de onderhoudsbijdrage volgens hem onjuist tot stand was gekomen. Na een begeleidingstraject bij VoorRecht-rechtspraak legden partijen de vragen schriftelijk aan de kantonrechter voor. De kanontrechter bepaalde dat een VvE haar leden in beginsel digitaal mag oproepen voor de vergadering van eigenaars. Een bepaling in de splitsingsakte die voorschrijft dat de oproeping schriftelijk plaatsvindt, staat daaraan niet in de weg. Wie als appartementseigenaar digitale oproeping wil tegenhouden, zal moeten kunnen wijzen op een statutaire bepaling die elektronische bijeenroeping voldoende duidelijk uitsluit. Een enkel voorschrift om de vergadering schriftelijk op te roepen volstaat niet als uitsluiting van elektronische oproeping. Het betrekken van de andere stemgerechtigden in deze procedure roept vragen op.
De feiten
Een appartementseigenaar (hierna: de eigenaar) diende op 11 december 2025 een verzoekschrift in bij de kantonrechter. Hij verzocht de besluiten nietig te verklaren die de Vereniging van Eigenaars (VvE) had genomen tijdens haar algemene ledenvergadering (ALV) van 18 november 2025. De eigenaar procedeerde in persoon. De VvE werd vertegenwoordigd door de voorzitter van haar bestuur.
Naar aanleiding van het verzoekschrift vond op 2 februari 2026 een begeleidingsgesprek plaats met een gerechtsauditeur bij het project VoorRecht-rechtspraak. In dat gesprek maakten partijen afspraken over de afdoening. Zij verzochten de kantonrechter gezamenlijk om schriftelijk, dus zonder zitting, te beslissen, met name op de vraag of de door het bestuur gevolgde procedure ter vaststelling van de onderhoudsbijdrage juist was geweest. Het bestuur zou zijn standpunt over de gevolgde procedure als bijlage bij het verzoek voegen, bij de overige leden informeren of zij aanvullingen hadden en ook de uitkomst van die ronde inbrengen.
De eigenaar en de VvE legde drie vragen ter beoordeling aan de rechter voor. Met name de vraag of de vergadering van eigenaars op de juiste wijze was uitgeschreven is daarbij het meest interessant.
Digitale oproeping voor de algemene ledenvergadering
De uitnodiging voor de ALV van 18 november 2025 was, inclusief agenda, op 31 oktober 2025 digitaal aan de leden verstuurd. Een uitzondering gold voor de leden die te kennen hadden gegeven de correspondentie op papier te willen ontvangen. Zij kregen de stukken in hun brievenbus. Op een eerdere ALV, van 13 mei 2025, was bovendien een voorstel aangenomen om de stukken van de VvE in beginsel digitaal toe te sturen. De eigenaar stelde dat het digitaal versturen van de oproeping in strijd was met artikel 45 lid 8 van de splitsingsakte.
Voor de beoordeling sloot de kantonrechter aan bij de Hoge Raad. Die heeft in 2023 geoordeeld dat de vergadering van eigenaars langs elektronische weg kan worden bijeengeroepen, tenzij die wijze van oproepen in de statuten voldoende duidelijk wordt uitgesloten.[1] Naar het oordeel van de kantonrechter was van een dergelijke uitsluiting geen sprake. Artikel 45 lid 8 van de splitsingsakte schrijft weliswaar voor dat de oproeping schriftelijk plaatsvindt, maar sluit digitale oproeping niet uit. De ALV was daarom op de juiste wijze, en overigens ook tijdig, uitgeschreven.[2]
Het verzoek om de besluiten van de ALV van 18 november 2025 nietig te verklaren werd daarom afgewezen.
Noot
Voor de praktijk bevestigt deze beschikking de door de Hoge Raad in 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1535) bepaalde lijn dat een VvE haar leden in beginsel digitaal mag oproepen voor de ALV. Een bepaling in de splitsingsakte die voorschrijft dat de oproeping schriftelijk plaatsvindt, staat daaraan niet in de weg. Wie als appartementseigenaar digitale oproeping wil tegenhouden, zal moeten kunnen wijzen op een statutaire bepaling die elektronische bijeenroeping voldoende duidelijk uitsluit. Een enkel voorschrift om de vergadering schriftelijk op te roepen volstaat niet als uitsluiting van elektronische oproeping.
Oproeping stemgerechtigden door de rechtbank
Deze wijze van afdoening het geschil roept wel de vraag op hoe wordt gewaarborgd dat alle stemgerechtigde appartementseigenaars daadwerkelijk als belanghebbenden in de procedure worden betrokken. Met name wanneer de rechtbank de communicatie met de overige eigenaars feitelijk via het bestuur van de VvE laat verlopen. Uit artikel 5:130 BW volgt dat stemgerechtigden in de VvE in een vernietigingsprocedure in de gelegenheid moeten worden gesteld hun standpunt kenbaar te maken. In deze zaak verliep de inbreng van de overige eigenaars via het bestuur van de VvE. Het bestuur heeft bij de leden geïnformeerd of zij aanvullingen hadden en lijkt de uitkomst daarvan vervolgens zelf te hebben ingebracht. Daarmee ontstaat het risico dat de overige stemgerechtigden niet rechtstreeks, maar slechts via de wederpartij worden gehoord. Mogelijk was dit in deze procedure feitelijk voldoende gewaarborgd, maar dat blijkt niet uit de beschikking.
Tegen deze achtergrond verdient aandacht dat de kantonrechter zich er uitdrukkelijk van dient te vergewissen dat alle stemgerechtigden zelfstandig en rechtstreeks de gelegenheid hebben gehad hun standpunt aan de rechter kenbaar te maken. Dat sluit ook aan bij het uitgangspunt dat de oproeping van belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure tot de verantwoordelijkheid van de rechtbank behoort. Niet voor niets bepaalt het Landelijk procesreglement dat de verzoeker bij een verzoek tot vernietiging een opgave moet verstrekken van de namen en volledige adresgegevens van alle stemgerechtigden.[3] Met de feitelijke oproeping en/of informatievoorziening in de praktijk via het bestuur van de VvE laten verlopen moet mijns inziens terughoudend worden omgegaan. De wet legt die oproepingstaak niet bij het bestuur en voor een dergelijke oproeping gelden niet dezelfde waarborgen als bij oproeping door de rechtbank of, in dagvaardingsprocedures, door een deurwaarder. Als de rechter niettemin toestaat dat de oproeping via het bestuur plaatsvindt, ligt het voor de hand dat hij/zij ten minste vaststelt dat alle stemgerechtigden daadwerkelijk, tijdig en op verifieerbare wijze zijn geïnformeerd en in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt rechtstreeks in te dienen en de mogelijkheid een mondelinge behandeling te verzoeken. In dat verband verdient opmerking dat de Rechtbank Midden-Nederland in 2015 al duidelijk heeft geoordeeld dat de oproeping van alle stemgerechtigden in een verzoekschriftprocedure tot vernietiging van een VvE-besluit niet aan de VvE of haar bestuurder kan worden overgelaten.[4] In die zaak had de griffier alleen de VvE opgeroepen en het bestuur gewezen op artikel 5:134 BW, maar dat volstond volgens de kantonrechter niet. De griffier dient namens de rechtbank de verzoeker, de VvE en alle overige stemgerechtigden zelf op te roepen, onder toezending van het verzoekschrift dan wel een korte weergave daarvan. Zie in dat kader ook de bijdrage van prof. mr. Roel F.H. Mertens van 16 september 2015.
Voetnoten
[1] Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1535.
[2] r.o. 3.1.
[3] Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kanton, handel en voorzieningenrechter vanaf 1 juli 2025, pag. 35, par. 3.2.2 e.v.
[4] Rechtbank Midden-Nederland 3 augustus 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:6073.



