Rechtbank Rotterdam (kantonrechter, locatie Dordrecht), 10 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6890
Een appartementseigenaar die zijn appartement permanent verhuurt aan wisselende groepen arbeidsmigranten, verzoekt vernietiging van een besluit van de vergadering van eigenaars waarbij de Tijdelijke Tegemoetkoming Blokverwarming (TTB) in gelijke delen per wooneenheid is verdeeld in plaats van naar individueel verbruik. De kantonrechter wijst het verzoek af. De hoofdregel van de subsidieregeling is verdeling naar verbruik, maar bij een gebroken boekjaar mag daarvan worden afgeweken als het verbruik over 2023 niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Omdat de appartementseigenaar dat niet heeft aangetoond, mocht de VvE de uitzondering toepassen. Het besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
De feiten
De VvE beheert een appartementencomplex van twintig appartementen die onderling dezelfde oppervlakte hebben en zijn aangesloten op een blokaansluiting voor warmte. Het warmteverbruik wordt per appartement individueel gemeten en geregistreerd. Het energiecontract loopt van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024, zodat sprake is van een gebroken boekjaar.
Een van de appartementseigenaren (hierna: ‘de appartementseigenaar’) verhuurt zijn appartement permanent en woont er zelf niet. De VvE heeft voor twintig appartementen, inclusief dat van de appartementseigenaar, subsidie aangevraagd en ontvangen op grond van de TTB, een compensatieregeling voor de hoge energiekosten die in 2023 golden.
Op de ledenvergadering van 9 oktober 2025 stemde de VvE over het agendapunt afrekenen stookkosten en verrekening TTB. Ter stemming lagen twee opties voor, verdeling in gelijke delen per wooneenheid zoals de VvE al toepaste, of aanpassing naar verdeling op basis van gebruik. Een meerderheid koos voor handhaving van de verdeling per wooneenheid.
De appartementseigenaar diende binnen een maand na kennisneming van dit besluit een verzoekschrift in. Hij vorderde vernietiging van het besluit, verdeling van de TTB naar rato van gemeten individueel verbruik, correctie van de verdeling volgens zijn eigen berekening en een schadevergoeding van veroordeling van de VvE in de proceskosten. Hij baseerde zijn verzoek op het causaliteitsbeginsel, kosten die rechtstreeks samenhangen met individueel gebruik dienen naar zijn opvatting te worden verdeeld op basis van dat gebruik, en op de redelijkheid en billijkheid. De VvE betwistte de verzoeken en stelde dat de appartementseigenaar niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat het besluit, voor zover daarvan al sprake was, niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid omdat de subsidieregeling afwijking toestaat bij een gebroken boekjaar.
Het bestaan van een vernietigbaar besluit
Voor toewijzing van het verzoek is vereist dat sprake is van een besluit van een orgaan van de VvE. De VvE verwijst in dit verband naar een eerdere Rotterdamse zaak, waarin naar haar mening evenmin sprake was van een vernietigbaar besluit maar slechts van een bekrachtiging achteraf van een reeds toegepaste verdeelsleutel.[1] De kantonrechter onderscheidt de onderhavige zaak van dat eerdere geval. Op de vergadering van 9 oktober 2025 is uitdrukkelijk gestemd over het genoemde agendapunt, met twee concrete opties ter stemming. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter wel degelijk sprake van een door de VvE genomen besluit.[2]
De hoofdregel en de uitzondering in de TTB-regeling
De TTB is in het leven geroepen als compensatie voor de hoge energiekosten die specifiek in 2023 golden en is neergelegd in een ministeriële regeling van 4 april 2023. Artikel 5 lid 1 van die regeling bepaalt als hoofdregel dat de tegemoetkoming in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichtingen van bewoners voor elektriciteit of warmte in 2023, in verhouding tot de wijze waarop de kosten voor het gehele jaar 2023 over de wooneenheden worden verdeeld.[3] Verdeling naar individueel verbruik is dus het uitgangspunt.
Bij de totstandkoming van deze hoofdregel bleek in de praktijk een probleem. Op verzoek van onder meer vertegenwoordigers van VvE’s is de minister gewezen op de moeilijkheid om jaarrekeningen te splitsen wanneer sprake is van een gebroken boekjaar. Om het verbruik over uitsluitend 2023 te kunnen berekenen is de meterstand per 31 december 2022 en 31 december 2023 nodig. De kantonrechter stelt vast dat ‘in de praktijk bleek dat deze gegevens vaak ontbraken omdat een meterstand in het midden van het boekjaar niet wordt geregistreerd en ook niet meer kan worden teruggehaald, althans niet tegen redelijke kosten’.[4] Om die reden is artikel 5 bij ministeriële regeling van 27 september 2023 aangevuld met twee uitzonderingen. Op grond van lid 5 mag de tegemoetkoming bij een gebroken boekjaar worden verdeeld naar het aandeel van de wooneenheid in het totale vloeroppervlak, mits de bestaande verdeelsleutel voor de energiekosten al overeenkomt met het energieverbruik. Is dat aandeel in het vloeroppervlak niet bekend, dan mag de subsidieontvanger op grond van lid 6 teruggrijpen op vaste forfaitaire bedragen per type wooneenheid, oplopend van € 384,96 voor de tegemoetkoming voor elektriciteit bij een onzelfstandige wooneenheid tot € 1.063,21 voor de tegemoetkoming voor warmte bij een zelfstandige wooneenheid.
De marginale toets aan de redelijkheid en billijkheid
Naar aanleiding van het verzoek tot vernietiging van het besluit op grond van artikel 5:130 BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid stelt de kantonrechter vast dat ‘uit artikel 5 van de ministeriële regeling en de toelichting daarop volgt dat de hoofdregel is om te verdelen naar verbruik. Hiervan mag worden afgeweken als er sprake is van een gebroken boekjaar én de afrekening niet eenvoudig en zonder onredelijke kosten gesplitst kan worden, met andere woorden: als het verbruik over het subsidiejaar 2023 niet makkelijk kan worden berekend’.[5]
De appartementseigenaar onderbouwde zijn verzoek niet met een berekening van het verbruik over uitsluitend het kalenderjaar 2023. Daarmee sloot zijn onderbouwing niet aan bij het doel van de subsidieregeling, compensatie voor de energiekosten van 2023. Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van de appartementseigenaar gelegen te stellen en zo nodig te bewijzen dat het verbruik over 2023 wel eenvoudig kon worden vastgesteld. Nu hij dat heeft nagelaten, gaat de kantonrechter ervan uit dat dit verbruik niet op de in de regeling bedoelde wijze kon worden vastgesteld. Gevolg is dat de VvE zich op de uitzondering mocht beroepen en dat het besluit van de vergadering niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.[6]
De toegepaste uitzonderingsgrond zonder gevolgen voor de uitkomst
Hoewel het besluit overeind blijft, plaatst de kantonrechter een kritische kanttekening bij de door de VvE gehanteerde verdeelsleutel. Bij een gebroken boekjaar had de VvE eerst moeten onderzoeken of verdeling naar oppervlakte op grond van lid 5 mogelijk was, in plaats van meteen de forfaitaire bedragen van lid 6 toe te passen. Uit de notulen van de vergadering blijkt echter dat de VvE de subsidie per wooneenheid heeft verdeeld, wat neerkomt op de forfaitaire uitzondering van lid 6. Dit blijft in deze zaak evenwel zonder gevolg. De kantonrechter overweegt dat ‘alle appartementen dezelfde oppervlakte hebben zodat de gehanteerde verdeling per wooneenheid in dit geval op hetzelfde neerkomt als een verdeling per oppervlakte’.[7]
Ten overvloede verwerpt de kantonrechter ook het standpunt van de VvE dat het onredelijk zou zijn wanneer de appartementseigenaar een hoger subsidiebedrag ontvangt omdat zijn huurders in 2023 geen energiebesparende maatregelen namen, terwijl andere eigenaren dat wel deden. De kantonrechter wijst erop dat ‘in de toelichtingen op de ministeriële regeling en de aanpassing daarvan staat dat het nemen van besparende maatregelen geen invloed heeft op de hoofdregel: verdeling van de subsidie naar verbruik’.[8]
Per saldo wijst de kantonrechter alle verzoeken van de appartementseigenaar af. Het besluit van 9 oktober 2025 blijft in stand. De appartementseigenaar wordt veroordeeld in de proceskosten.
Wenk
Deze uitspraak laat zien dat de hoofdregel van verdeling naar verbruik bij de TTB-subsidie niet vanzelfsprekend wijkt voor een alternatieve verdeelsleutel. Een VvE die bij een gebroken boekjaar wil afwijken van die hoofdregel, doet er goed aan te onderbouwen waarom het verbruik over specifiek het kalenderjaar 2023 niet eenvoudig en zonder onredelijke kosten kon worden vastgesteld. Wie als appartementseigenaar tegen een dergelijke afwijking opkomt, zal zelf moeten stellen en bewijzen dat die berekening wel eenvoudig mogelijk was, met gegevens die specifiek op 2023 zien.
Voetnoten
[1] Rechtbank Rotterdam, 8 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4810.
[2] r.o. 2.7.
[3] Artikel 5 lid 1 van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen (ministeriële regeling van 4 april 2023).
[4] r.o. 2.9.
[5] r.o. 2.11.
[6] r.o. 2.12.
[7] r.o. 2.13.
[8] r.o. 2.14.



